blogs

jean toche 1932-2018

Op 9 juli van dit jaar vond de politie, in zijn verwilderde tuin op Staten Island (VSA), het lichaam van Jean Toche. Hij was de laatste overlevende van het groepje dat in 1969 de Guerrilla Art Action Group (GAAG) oprichtte.

Jean Toche werd geboren in Brugge in 1932. Aan het eind van de jaren 1950 woonde hij in Parijs met danseres Virginia Poe. Daar ontmoetten zij Marcel Broodthaers, met wie zij lange discussies voerden over vragen als: Wat kan de rol zijn van kunst en kunstenaars in de machtsstructuren die de wereld beheersen? Hoe kan je je verzetten tegen die machtsstructuren?

In 1965 laten Toche en Poe Europa achter voor de Verenigde Staten, eerst New York, nadien Staten Island. Van in het begin engageert Toche zich in de radicale politieke kunstscene van New York, New York Destructive Art, de Artist Workers’ Coalition en dus GAAG, dat hij opzet met o.m. Jon Hendricks. Een van zijn eerste performances is ‘I Accuse’, waarin hij zichzelf en het publiek ervan beschuldigt zich te prostitueren in/voor een triviale cultuur.

Toche’s kritiek had de Koude oorlog en zijn nucleaire dreiging als achtergrond, maar hij richtte zich ook tegen de bedrijven en instellingen die de VS oorlog lieten voeren in Irak of Latijns-Amerika, en tegen de kunstwereld die zich liet financieren door de Rockefellers van deze wereld, die net zo goed napalm en oorlogsgassen produceerden die ingezet werden in Vietnam. In de winter van 1969 hield de GAAG een performance in de hal van het MoMA (Museum of Modern Art), waarin het ontslag van de Rockefellers geëist werd uit de raad van bestuur, en die ermee eindigde dat de hal overgoten werd met meegebrachte zakken dierenbloed. Enfin, typisch jaren zestig. Later, wanneer het werk van Toche minder spectaculair werd, werd een zekere verwantschap met de geest van Fluxus en de Internationale Situationniste zichtbaar.

Toche werd verschillende keren gearresteerd, o.m. vanwege de verspreiding van een pamflet met deze tekst: We now call for the kidnapping of: museum’s trustees, museum’s directors, museum’s creators, museum’s benefactors, to be held as war hostages until a People’s Court is convened, to deal specifically with the cultural crimes of the ruling class, and with decision of sanctions, reparation and restitution, in whatever form decided by the People and the Artists.

Dat was ook het geval na een actie, opnieuw in het MoMA, waarbij de Guerrilla Art Action Group tijdens een galadiner voor de sponsors van het museum erin slaagde een aantal kakkerlakken achter te laten op een van de gedekte tafels. Een poging om hem te laten interneren in een psychiatrische instelling mislukte omdat artsen hem volkomen gezond van geest vonden.

In 1970 trekken Toche en Poe zich terug op Staten Island, in een buurt die gedomineerd wordt door ultra-white anglo-saxon protestants. In die periode worden nog zonder al te veel problemen huizen van zwarte gezinnen in brand gestoken, en wanneer Toche zich in zijn werk steeds explicieter richt tegen racistische politieagenten en vastgoedmakelaars, wordt hij al gauw zelf met de dood bedreigd. Toch en Poe barricaderen hun woning; zij durven de VS niet meer te verlaten, uit angst dat zij niet meer opnieuw toegelaten zullen worden.

Na de dood van Virginia Poe in 2000 en de aanslagen van 11 september 2001 trekt Toche zich terug achter de muren van zijn huis en tuin, en begint aan een doorgedreven activiteit van mail art. Hij schrijft zo’n vijftig kaarten per dag, gericht aan contacten van over de hele wereld. Hij gebruikt intieme, huiselijke foto’s van zichzelf, vergezeld van commentaren op de VS-politiek. Nieuwsberichten over de oorlogen in Irak en Afghanistan, over Abu-Ghraib en Guantanamo, over Bush, Dick Cheney, Rumsfeld of Tony Blair, over homofobie, de taliban of de retoriek van de VS-media worden gefileerd, geïnterpreteerd en becommentarieerd in enkele lijnen (een groot aantal voorbeelden op https://duckduckgo.com/?q=jean+toche&t=ffab&iax=images&ia=images).

Met al dit werk verdient Toche geen cent; uiteraard verkoopt hij niet via galerieën. In de loop van de jaren raakt hij steeds meer afgezonderd. Van de vijftig mensen die vroeger dagelijks zijn kaarten ontvingen, resten er nog een of twee, maar hij blijft doorwerken, met maar één thema, machtsuitoefening, en maar één personage, hijzelf. Hij kiest steeds vaker zijn oude, lelijke en behaarde lichaam als beeld bij korte overdenkingen over machtsuitoefening en -structuren. Tegelijk neemt de vijandigheid van zijn wasp-omgeving almaar toe. Hij wordt telefonisch bedreigd en uitgemaakt voor ‘smerige moslim’. In 2015 laat hij zijn telefoonlijn afsluiten; de zeldzame postkaarten die hij nog verzendt, worden vervangen door notitievelletjes. Jean Toche trekt zich volledig terug uit de wereld; zijn huis en zijn tuin, die nu totaal overwoekerd is, verlaat hij niet meer.

 

 

 

black cat

Tomorrow, August 17, the US celebrate their National Black Cat Appreciation Day. Congratulations, all you black cats!

There are lots of good reasons to dedicate a special day to black cats. Like, according to the American Society for the Prevention of Cruelty to Animals, “… we LOVE black kitties—but the sad truth is that not everyone feels the same way. Due to outdated (and incorrect) myths and superstitions, black cats have a really hard time getting adopted.

To celebrate this holiday, we put together just a few of the many reasons we appreciate these raven-coated kitties:

  • Black cats go with everything—and they’ll never go out of style!
  • You can tell your kids you adopted a miniature panther.
  • Their fur won’t show on your little black dress.
  • In most cultures, black cats are a sign of good luck.
  • Black cats are just as loving, sweet and wonderful as any other cat!”

The most important reason however to give black cats some special attention is exactly the opposite of them being a sign of good luck. From the Middle Ages up to the 19th century (incidentally) prosecution of animals took place in Europe, either in civic trials because of their responsibility for ‘crimes’ or harm, either for sorcery. Cats may be the only animals being prosecuted on both grounds. In fact, it was well known that Satan quite often took the appearance of a black cat to attack in their sleep adults as well as baby’s – a wisdom which might still very much hold in contemporary Italy, where according to some sources, “60,000 black cats are killed every year by Italians who believe that they bring bad luck.”

However, this bad image of the black cat turned, at the beginning of the 20th century,  also into a kind of badge of honour, evoking the people and their revolt. According to Wikipedia: Since the 1880s, the color black has been associated with anarchism. The black cat, in an alert, fighting stance was later adopted as an anarchist symbol.

More specifically, the black cat—often called the "sab cat" or "sabo-tabby"—is associated with anarcho-syndicalism, a branch of anarchism that focuses on labor organizing (see Wildcat strike).

In testimony before the court in a 1918 trial of Industrial Workers of the World leaders, Ralph Chaplin, who is generally credited with creating the IWW's black cat symbol, stated that the black cat "was commonly used by the boys as representing the idea of sabotage. The idea being to frighten the employer by the mention of the name sabotage, or by putting a black cat somewhere around. You know if you saw a black cat go across your path you would think, if you were superstitious, you are going to have a little bad luck. The idea of sabotage is to use a little black cat on the boss."

The IWW does not dismiss the story about the origins of the symbol of the black cat, however it warns on its website: Perhaps as a result, and due to the inevitable hagiography that arises when history becomes legend, other radical movements and/or organizations that have been inspired by the IWW (or rather their somewhat biased perspectives of it) and adopted the black cat (including many anarchist and radical environmentalist tendencies and organizations) have used the feline to symbolize something much different from direct action at the point of production.

Earth First!, for example, sometimes used a slight variation on Chaplin's original image (sometimes even with a monkeywrench in one of its paws) to symbolize monkeywrenching by "eco-warriors" -- which is quite different from direct action at the point of production by workers.  Many anarchists have simply copied Chaplin's image to symbolize direct action in general, including mass insurrectionary activity.

The IWW does not condone or endorse such use of the black cat and bears no responsibility for its usage by others, nor does the IWW officially make use of the black cat to symbolize sabotage (indeed, the IWW does not officially endorse or condone sabotage itself). 

Officially, Industrial Workers of the World is not and never was an anarchist trade union. This is how the organisation presents itself: The IWW is a member-run union for all workers, a union dedicated to organizing on the job, in our industries and in our communities. IWW members are organizing to win better conditions today and build a world with economic democracy tomorrow. We want our workplaces run for the benefit of workers and communities rather than for a handful of bosses and executives.

We are the Industrial Workers of the World because we organize industrially.

This means we organize all workers producing the same goods or providing the same services into one union, rather than dividing workers by skill or trade, so we can pool our strength to win our demands together. Since the IWW was founded in 1905, we have made significant contributions to the labor struggles around the world and have a proud tradition of organizing across gender, ethnic and racial lines - a tradition begun long before such organizing was popular.

Today, despite IWW’s distancing from the use of the black cat symbol by anarchists (anarcho-syndicalists) and promotors of direct action, the French CNT-AIT (Confédération Nationale du Travail – Association Internationale des Travailleurs) carries it proudly in their logo. CNT states clearly from the first line of its presentation: “CNT is a confederation of trade-unions whose principles and aims are libertarian”. The initials CNT are probably best known for the Spanish version, the Confederación Nacional del Trabajo, which was one of the important organisations in the resistance against the fascist coup d’état of general Franco and during the Spanish civil war 1936-1939. The Spanish CNT too was clearly of anarchist origin. Despite several decades when the organization was illegal in Spain, today the CNT continues to participate in the Spanish worker's movement, focusing its efforts on anarchist principles of anti-authoritarianism, anti-capitalism, internationalism and anti-militarism,  workers' self-management, federalism, and mutual aid. Also Spanish anarchists acknowledge the symbol of the black cat threateningly displaying claws and teeth, but they give it a slightly different origin. It originated during a strike at a period when this was hitting rock bottom. A lot of strikers had been beaten and injured, and several of them had been taken to hospital. One day a sick black cat entered the encampment of the strikers. They gave it some food and took care of it, and as soon the cat had recovered, the strike suddenly took a positive turn. Eventually the strikers had some of their demands met, and they adopted the black cat as a mascot.

Black Cat Appreciation Day !

 

An extra for Belgian readers:

Belgian brewery Brasserie des Tchèts produces an amber 6% alcohol beer, called La Chatte. The logo is a sweet black cat jumping. Are you in doubt about any double entendre? Well, you don’t need to; the same brewery also produces a ‘Flemish’ variant, called Foefke.

Black Pussy Appreciation Day!

 

geheim agent

Doe je ook aan facebook, twitter, LinkedIn, google maps, … ? Heb je ook zo’n kekke stappenteller om je pols, of een hardloop-app? Lees dan even deze onthutsende reportage op De Correspondent: Zo haalden we binnen 2 minuten staatsgeheimen uit een fitness-app. Aardig stuk onderzoeksjournalistiek, en ook de reacties op het artikel zijn de moeite waard.

We weten het sinds lang natuurlijk: alles wat je zogezegd gratis krijgt op internet, betaal je met je persoonsgegevens. Maar ook software of apps die je koopt, slorpen – gevraagd, maar vaak ook ongevraagd – allerlei persoonlijke informatie over de gebruiker op. Soms weet je welke informatie je geeft over jezelf, maar in ieder geval weet je nooit wat er verder met die informatie gebeurt.

Het komt ook in de reacties op het stuk van De Correspondent  terug: je weet dat je gemanipuleerd wordt door bedrijven die je verplichten allerlei persoonlijke data af te staan om hun spul te kunnen gebruiken, maar is er een alternatief? Natuurlijk, je kan uitstekend leven zonder facebook, twitter, whatsapp of instagram, zelfs zonder LinkedIn of academia.edu. Maar zonder gps, digitale agenda en adresboek, bank-app of spoorplanner? Een aantal lezers geeft praktische tips over alternatieven en over manieren om de irritantste gegevensverzamelaars uit te schakelen of te omzeilen – maar dat heeft zo zijn prijs, zowel in vaardigheden en tijd, als in de beperking van mogelijkheden.

Wat mij vooral bezighoudt, is de betekenis van het aloude concept privacy op een moment dat miljoenen gebruikers bewust of onbewust, gewild of ongewild, hun privé-gegevens publiek maken of aanbieden aan commerciële instellingen (letterlijk op de markt gooien). Privacy was oorspronkelijk een overwegend defensief begrip. Het bakende een deel van het privéleven af, waarmee de overheid zich in principe niet mocht bemoeien: eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven; vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Maar is dit concept van bescherming tegen de overheid nog wel relevant, op een moment dat iedereen gewild of ongewild belangrijke delen van zijn/haar privéleven te grabbel gooit?

Privacy is moeilijk te definiëren als een positief recht, als iets dat je juridisch kan afbakenen en opeisen of verdedigen. Misschien is het vandaag handiger om privacy te zien als een waarde of als een beginsel, dat iedere keer weer vorm moet krijgen in een bepaalde context. Eerder dan een ‘afschermen van’, wordt privacy dan de virtuele of werkelijke ruimte die je nodig hebt om je zelf te kunnen zijn binnen bepaalde omstandigheden. Privacy wordt zo een actief en dynamisch begrip; het verwijst naar het proces waarin mensen de mogelijkheid opeisen – en krijgen – om hun leven te realiseren op de manier die zij zelf verkiezen.

Die processuele benadering van privacy als waarde, in plaats van als recht, belet overigens niet dat de beperkingen die bijvoorbeeld artikel 8 Europees Verdrag Rechten van de Mens toestaat nog geldig zouden zijn: ingrijpen in de privacy is mogelijk, voor zover dat “bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen”.

Het grote probleem met de digitale informatie die je gewild of ongewild verstrekt, is dat de virtuele ruimte die je zo opeist om ‘jezelf te realiseren’ letterlijk onafzienbaar is. Bovendien heeft de individuele beslissing om je gegevens op de markt te gooien maatschappelijke consequenties. Als apps die bijvoorbeeld gezondheidsgegevens registreren (roken, lichaamsbeweging, hartslag en dergelijke) worden ingezet om het recht op verzekering of de prijs ervan te bepalen, wordt het hele systeem van solidariteit en sociale verzekering ondergraven. Meer in het algemeen, zullen noch bedrijven noch overheden nalaten om die individuele gegevens te gebruiken om burgers tegen elkaar af te wegen en op te zetten.

Maar goed, lees het artikel op De Correspondent tot het einde, en je ziet wat ik bedoel.

 

 

rivieren & meren - rivières & lacs - rivers & lakes

Onlangs startte ik om technische redenen een nieuwe website: rivieren & meren - rivières & lacs - rivers & lakes. Meer info daarover vind je hier en hier.

Deze website, durieux.eu, houd ik voor een deel van mijn publicatie-archief en voor (langere) stukken en essays rond zaken die verband houden met complexiteit, autonomie en controle.

https://rivieren-en-meren.online

newspeak

A short remark concerning the post hereunder minimiser les effets.

It is customary to talk in English about wind farms, in Dutch about windmolenparken. But farms, nor parcs or windmills have anything to do with the industrial zones that are created all through farmland and forests to install gigantic wind turbines. Windmills or watermills at least used to mill something: cereals, or seeds or even wood. These huge industrial wind turbines don’t grind anything at all. And while windmills and waterwheels were fully integrated in the landscape, the contemporary enormous turbines can be five or six times higher than the largest trees that happen not to be cut to create these plots. Landmarks they are, certainly, and they can fit in large port areas or industrial zones, but would you accept huge areas of woodland to be erased for the construction of an industrial complex?

It’s completely erroneous then to speak about farms or parcs, as if these industrial zones had anything to do with agriculture or a woodland ecosystem or any charming aspect of nature. It’s much like the widespread term container park – containerpark – parc à conteneurs. When you bring away your assorted garbage, do you really think about a parc with lanes and trees and grass and bushes and the appeal of nature?

The term newspeak was coined by Georges Orwell in his novel 1984. Merriam-Webster gives this definition: “propagandistic language marked by euphemism, circumlocution, and the inversion of customary meanings”.

It wouldn’t be the first time that industrial promotors and their political accomplices scatter terms that evoke things green, natural, ecological, … But let’s call the things by their name. It’s all about wind turbines, that are settled in power plants for which industrial zones are created. No more, no less.

 

minimiser les effets

(...)

Médor fait le compte : « Dans un document confidentiel, le promoteur français Engie prévoit 32 tonnes d’anodes par fondation (éolienne, mât de mesure, poste électrique en mer). Soit plus de 2 000 tonnes pour une ferme de 64 moulins. Même précision en ce qui concerne leur dégradation : 75 tonnes d’aluminium seront rejetées chaque année dans la mer ! Auxquelles il faut ajouter 4 tonnes de zinc, un métal bien plus toxique encore. A l’échelle des parcs belges (500 éoliennes), cela représenterait plus de 600 tonnes de métaux noyés chaque année. »

Avancer et minimiser ensuite ces effets ? Médor se demande plutôt : « Des éoliennes qui polluent, une lubie d’activistes en mal d’activités ? » (Une question pertinente, qui ne perd pas de poids lorsqu’on considère les zonings dont les promoteurs éoliens et leur ministre Carlo Di Antonio parsèment le territoire wallon.)

Alors justement le Parlement des Choses vient d’ouvrir l’ambassade de la mer du Nord. Il s’agit d’une  ambassade réelle et virtuelle, où les choses, les plantes, les animaux et les humains peuvent s’exprimer. On y travaille au nom de la mer du Nord à un plaidoyer qui sera présenté fin juin à Den Haag (La Haye). L’objectif est une recherche en profondeur sur notre relation avec  la mer. « On cohabite avec la mer. Elle nous émerveille et nous nourrit ; c’est d’elle que nous sommes issus. » 

(...)

L'article intégral sur https://rivieren-en-meren.online/2018/06/12/minimiser-les-effets/

silenzio

Zo rond 1988 trad ik nogal eens op als lector voor een Amsterdams literair agent. Ik las Italiaanse publicaties rond filosofie, politiek en recht om te kijken of het zin had dat het agentschap achter de vertaalrechten aan ging. Zo kreeg ik op een dag Il feticcio quotiano (‘De dagelijkse fetisj’) in handen van de mij onbekende filosoof Gillo Dorfles. De man was toen 78, en had een lange lijst publicaties rond cultuur- en kunstfilosofie op zijn naam. Uit zijn wikipedia-lemma is niet helemaal op te maken of hij nadien nog nieuw werk gepubliceerd heeft. Dorfles is op 2 maart overleden, 107 jaar oud. Een typisch geval van de kip of het ei, zegt M. Is hij zo oud geworden omdat hij actief bleef, of is hij actief gebleven omdat hij goed oud werd?

N’importe, ik sla mijn exemplaar er nog eens op na en ik merk dat het boek vol aantekeningen staat; ik heb het dus blijkbaar aandachtig gelezen toen. Als ik de tekst nu opnieuw bekijk, vraag ik mij af of de man toen al niet een beetje een ouwe zeur was. (Ja, mag het, als je 78 bent?) Dorfles gebruikt de term fetisj om te verwijzen naar ‘aberrante beelden’ die men voor waar houdt, naar simulacra die de plaats innemen van elementen uit de dagelijkse werkelijkheid, naar de algehele toestand waarin zich onze beschaving bevindt, die gevoed wordt door de pseudo-eventi (fake news? fake truth?) waarover de massamedia berichten. Die kritiek op de constructie van dagelijkse fetisjen werkt hij concreet uit op terreinen als de zogezegde literatuurkritiek in de massamedia, op architectuur en design, of theater en film (Antonioni!), fotografie en publiciteit.

Ik neem er nog even het hoofdstuk bij dat hij heeft geschreven over stilte (Valore del silenzio e dell’intervallo). Stilte, voor Dorfles, is het beëindigen van rumoer, van klank, van elke expliciete activiteit, waardoor juist ruimte ontstaat voor wat anders; “… de stilte als pauze, als interval tussen twee klanken, twee woorden: een pauze waarin het mogelijk is een beroep te doen op nog onontgonnen creatieve krachten”. Nogal paradoxaal, lijkt mij, als de stilte er is om de stilte te vullen. Anderzijds, la voix du silence is een eeuwenoud begrip; wie er in slaagt zich af te sluiten van het rumoer van de buitenwereld, ontdekt een innerlijke stilte die ruimte biedt aan creativiteit. In Dorfles’ benadering is stilte dus vooral een (creatieve) interval, en als zodanig is het concept ook bruikbaar voor bijvoorbeeld ruimtelijke intervallen in de architectuur.

Dorfles gaat dan uitgebreider in op het constructieve gebruik van stilte en interval in het werk van enkele componisten uit zijn tijd: Schnebel, Berio, Xenakis, Stockhausen en uiteraard John Cage. In mijn ogen is het onbegrijpelijk dat hij Luigi Nono mist, maar goed, de voorbeelden die hij geeft zijn evident, begrijpelijk, en slechts een begin van analyse. Moeilijker heb ik het met zijn commentaar op de maatschappelijke herrie die – alweer – de massamedia over ons uitstorten.  La nuisance de l’environnement sonore heeft immers niet alleen te maken met de excessen van verkeer en stedelijk rumoer, maar ook met de doorlopende geluidsstroom van ‘consumptiemuziek van de ergste soort’, die overal doordringt, tot in de huiselijke sfeer. En dan gaat het volgens Dorfles niet alleen om “jazz, rock of andere ‘populaire’ muziek”, maar ook om ‘klassieke’ muziek die misbruikt wordt en waardoor stilte constant wordt opgeheven. Dat alles is “zonder twijfel een van de grote calamiteiten van onze tijd, en mogelijk de oorzaak van, vandaag nog niet goed omschreven, esthetische en ethische schade”.

Ik leef volkomen mee met Dorfles’ afkeer van achtergrondmuziek en -geluid. Ga maar eens in gelijke welke wachtkamer je beurt afwachten; je ontsnapt niet aan de meest stompzinnige radio- of tv-herrie, inclusief loeiende reclamespots die gericht lijken op hersendood vee. Of nog: cliché maar waar, de bouwvakkers die vanop hun stelling de hele straat terroriseren met de bagger van Radio 2.

Dorfles gaat echter ook verder. Het hoofdstuk eindigt met de waarschuwing: “Wie ook zelfs maar oppervlakkig gevolgd heeft wat zich afspeelt in een van de vele ‘rocktempels’ weet dat de muziek daar uitgevoerd wordt met een maximum aan intensiteit en een maximum aan ritme; zo kan men die hallucinatoire (of eigenlijk psychedelische) sfeer creëren die vaak een surrogaat is, of een bijproduct van drugs en andere abnormale stimulaties.”

Door stilte te beschouwen als een interval tussen momenten van herrie zit Dorfles met een paradox: zonder herrie geen stilte. Dat is op zich niet lastig. Wat ik wel vervelend vind: Dorfles is een elitaire cultuurpessimist, die zelfs mij te ver gaat. Een ouwe zeur, dat was voor hem een wel heel toepasselijk begrip.

 

echt waar

Fake news, post-truth, ach ach, niks nieuws onder de zon. Thomas Hobbes wist al dat waar en vals kenmerken zijn van woorden, niet van dingen. Wat waar is of vals wordt uiteindelijk bepaald in het discours dat in een bepaalde omstandigheid, op een bepaalde plek, op een bepaald moment, er het best in slaagt om verschijnselen te beschrijven, te wijzigen, te verbergen, of te vermommen. Hobbes lijkt in een bepaald opzicht niet ver af te staan van de benadering van Plato, in zijn beroemde allegorie van de grot uit Politeia (Staat). Daarin stelt hij de retorische vraag: “Meent ge niet dat de gevangenen in de mening zouden verkeren dat ze, door namen te geven aan wat ze zien, de werkelijke bestaande voorwerpen zelf zouden noemen?” (vertaling Xaveer De Win, 1961).

Zou Misako Ozaki het menen, dat zij door te benoemen wat ze ziet, de werkelijkheid beschrijft aan Masaya Nakamori, de blind wordende fotograaf in Hikari (‘Vers la lumière’) van Naomi Kawase uit 2017? Is audiodescriptie, zoals zij te volgen is bij bepaalde programma’s op de RTBF waar of vals?

Beiden, Plato en Hobbes, stellen vast dat het de taal is die de werkelijkheid kenbaar maakt. Maar Hobbes heeft de theorie van Plato een draai gegeven; de taal is niet de neutrale afspiegeling van de dingen, maar zij kleurt ze, zij manipuleert en tekent de werkelijkheid, die slechts kenbaar wordt als onderdeel van de ideologische, filosofische, religieuze, pragmatische … inzet van een betoog. En het is Michel Foucault die er de nadruk op legt dat de constructie van waarheid onlosmakelijk verbonden is met de constructie van macht. Het toekennen van waarheid aan een bepaalde  beschrijving van de werkelijkheid legitimeert een bepaalde vorm van macht. En omgekeerd, is het macht die toelaat een bepaalde beschrijving van de werkelijkheid voor waarheid te doen doorgaan. Kennis, gecombineerd met kracht, wordt waarheid; kracht in combinatie met kennis genereert macht. Als waarheid dus altijd geconstrueerd wordt in ingewikkelde processen van macht, kennis, taal (en subjectiviteit), dan zijn fake news of post-truth niet eens bijzondere fenomenen. Alle nieuws en alle waarheid komen tot stand in en door specifieke machtsstructuren.

Heeft Hillary Clinton werkelijk deelgenomen aan sexfestijnen met kinderen in de kelder van pizzeria Comet Ping Pong? Zal de linkse gutmensch in zijn absolute goedheid net het tegenovergestelde bewerkstelligen van wat hij claimt te willen: de totale afbraak van de welvaartsstaat? Leugens en flauwekul, zeg je? In bepaalde machtsverhoudingen en voor bepaalde machtsdoelen kunnen deze uitspraken het karakter van waarheid aannemen. Omgekeerd, wie er in slaagt de waarheid ervan te ondermijnen, ondermijnt daarmee ook de macht die deze uitspraken funderen. Met andere woorden, het ‘ontmaskeren’ van fake news gaat niet alleen om ‘de waarheid’, maar vooral om de macht die deze waarheid kan produceren.

Als een vertoog (een verhaal, een beeld, een symbool) betekenis kan geven aan mensen hun leven, dan is dat vertoog niet alleen daardoor een politieke machtsfactor, maar ook door het feit dat mensen er mee aan de slag gaan om hun wereldbeeld in te vullen. Het vertoog op zich kan waar of vals zijn, op het moment dat mensen het integreren in hun wereldbeeld en het reproduceren in hun taal, hun denken en hun daden, is het werkelijkheid geworden. Waarheid en onwaarheid maken plaats voor werkelijkheid en onwerkelijkheid.

Deze mechanismen spelen niet alleen in de productie of ontmanteling van waarheden voor directe en duidelijke politieke doeleinden. Zij werken zeker niet minder op een terrein waar wenselijkheid èn onvermijdelijkheid hand in hand lijken te gaan: innovatie en technische vooruitgang. ‘Mis jouw afspraak met de toekomst niet!’ Je hoeft er de technologierubrieken in de kranten maar op na te slaan, en je stuit voortdurend op een aantal stellingen die als waarheid worden verkondigd. De meest voorkomende, die je in alle maten en varianten terugvindt, is ‘technologie is neutraal – je kan er goed of slecht gebruik van maken’. (Vergelijk met de VSAmerikaanse klassieker over vuurwapens: “The only way to stop a bad guy with a gun is with a good guy with a gun.”) Neem nu het recente rapport over de toekomst van de Belgische advocatuur dat minister van Justitie Geens heeft besteld bij twee vooraanstaande zakenadvocaten (waarvan één een vroegere vennoot van hem). Het rapport pleit onder meer voor meer technologische toepassingen en de inzet van artificiële intelligentie om grip te krijgen op de big data van de rechtspraak. En net zoals in de VS en Groot-Brittanië (en China) al volop gebruik gemaakt wordt van algoritmes in het kader van predictive policing – met alle persoonlijke drama’s van dien – zo willen de auteurs van het rapport inzetten op justice prédictive. “En faisant tourner des algorithmes sur des données ciblées dans les jugements, arrêts ou commentaires de jurisprudence, il serait possible de prévoir, selon les auteurs, « avec un degré de fiabilité bien supérieur à celui d’un juriste classique », la solution qu’un juge pourrait donner à un casus donné”, stelt Le Soir (1 maart 2018).

Maar algoritmes zijn helemaal geen neutrale technologie. Computersystemen en artificiële intelligentie worden gemaakt door mensen, op basis van hun inschattingen van wat waar en echt is, relevant en pragmatisch. Zowat overal wordt tegenwoordig software uitgetest om in eenvoudige rechtszaken tot uitspraken te komen zonder tussenkomst van een rechter. Maar wat bepaalt wat een eenvoudige zaak is? Het bedrag dat op het spel staat? Bovendien is veel van deze intelligente technologie autopoietisch – en dat is ook de bedoeling: eens het systeem draait, op basis van tijdgebonden of toevallig ingevoerde gegevens, reproduceert het zichzelf zonder verdere sturing van buitenaf. Met andere woorden – en dat is de ervaring met predictive policing – na een tijdje produceert het systeem zijn eigen waarheid, die wel degelijk echte gevolgen creëert in de werkelijkheid. (Hier een doorwrochte wetenschappelijke analyse.)

Kortom, of het nu om politieke of technologische waarheid gaat, of ze ook echt is hangt af van de waarde die mensen er aan hechten en de manier waarop zij ermee omgaan. De verbeelding van wat waar en echt is, is niet alleen maar een politiek overtuigingsmiddel; als zij aanslaat wordt deze verbeelding zelf politieke inhoud. Bij ‘verbeelding’ hoef je overigens niet meteen aan beelden te denken; politieke verbeelding wordt nog steeds overwegend in taal uitgedrukt. En zo kom ik uiteindelijk terug bij het grote probleem waar (Franse) vrouwelijke denkers – Irigaray, Kristeva, Cixous – mee zaten in de jaren 1980: hoe druk je verzet uit in taal, als de taal die je daarvoor ter beschikking staat door en door geïmpregneerd is met de symbolische orde die je bestrijdt? Met een soort ‘heroïsch nihilisme’ waarin je taal dan maar helemaal opzij zet, schiet je niks op.

In 1987 vergeleek Susan Parsons de taal waarmee feministen hun verzet moesten vormgeven met de voorruit van een auto: "One of the things we can do is to examine the windscreen of the car we are driving so that we can notice its cracks, see where it is smudged, observe the way in which the particular material of which it is made distorts our vision of what is around us, or find the clear spaces by which we can get a good view of what lies ahead. In this way, we become aware of our finitude, our limitations, our unique perspective which constitutes our identity as persons with a point of view. But it is quite another thing actually to drive the car, an activity in which staring at the windscreen would be a serious liability since it is what we need to use in order to be able to get anywhere at all. Unless we desist from the activity for which windscreens were originally devised and found practicable, we must sometimes merely use them to go forward without noticing them."

Sluimert hier een gedachtegang die kan helpen om om te gaan met de macht in en achter verwerpelijke constructies van waarheid en werkelijkheid?

 

complexe muziek

Saxofonist Robin Verheyen heeft een nieuwe cd uit (Verheyen Copland Gress Hart, When the birds leave),  dus zie je hier & daar in de media recensies en interviews. Zo ook in Le Soir Mad van 31 januari.

Daarin beweert Verheyen over de nieuwe opname: “… je ne veux pas que cela sonne complexe et inaccessible pour le public.” Wat een merkwaardige opvatting, om complex en ontoegankelijk aan elkaar te koppelen. Een kenmerk van complexiteit is juist het tegendeel van ontoegankelijkheid, namelijk meervoudige toegankelijkheid. Complex is de materie die een veelheid aan toegangen biedt, en een grote diversiteit aan wegen om doorheen die materie telkens nieuwe situaties en verbanden te ontdekken. Denkt Verheyen misschien dat zijn publiek alleen maar rechttoe-rechtaan muziek aankan?

Wat verder zegt hij: “Ce qui fait que cet album est accessible, c’est … qu’il n’y pas des notes pour faire des notes, que même parfois il y a peu de notes. … Le silence est parfois plus fort que les notes.” Dat is wel zeker, dat stilte soms sterker is dan muziek of geluid of ‘noten’. Maar hoe heeft dat te maken met complexiteit? Verheyen lijkt te suggereren dat de aanwezigheid van stilte (‘weinig noten’) de muziek toegankelijk maakt. Als je stilte echter beschouwt als een integraal onderdeel van een muziekstuk, dan zijn de eenheden stilte net zo goed als de noten bouwstenen van de compositie. Een sequens van bijvoorbeeld noten 1 2 3 stilte 4 5 stilte 6 7 8 9 10 stilte 11 bestaat dan uit veertien elementen, die net zo goed tot een simpel als een complex werk kunnen leiden. Stilte is geen kenmerk van gebrek aan complexiteit. Sterker nog, stilte is zeker ook geen garantie voor toegankelijkheid. Luister bijvoorbeeld naar het korte 7 Haikus van John Cage: weinig noten, veel stilte. Zou dit zijn wat Verheyen toegankelijk vindt?

Ik denk dat in muziek de tegenstelling tussen complexiteit en toegankelijkheid een valse is. Ik denk dat wat Verheyen bedoelt, is dat hij muziek aanbiedt die het luisteraars mogelijk maakt er onmiddellijk aan deel te nemen; muziek die simpel en lineair verloopt, zodat toehoorders er meteen een betekenis kunnen aan geven. Daar is niks mis mee, integendeel. Muziek kan een geweldige factor zijn om welbevinden of andere emoties te stimuleren en te versterken. Daarnet stond bij de afwas Wang Dang Doodle op, door Koko Taylor, Live from Chicago 1987. Wow!

Wat ik maar wil zeggen is: je hebt muziek die (vrij) eenduidig is, en je hebt muziek die (eerder) meerduidig is. Muziek realiseert zich uiteindelijk door de uitvoering en in de luisterervaring. Uitvoerders kunnen wel muziek willen maken die niet complex of ontoegankelijk is voor het publiek, maar het is absoluut niet zeker dat de middelen die zij daartoe aangrijpen (weinig noten, veel stilte) ook effectief bij de luisteraars een gevoel van toegankelijkheid en eenvoud oproepen. Als muzikale betekenissen pas tot stand komen in het luisteren, dan is het dus de toehoorder zelf die muziek complex of toegankelijk of ontoegankelijk of simpel maakt. 

rechtsstaat

Gisteren mocht Inge Ghijs het redactionele commentaarstukje schrijven in De Standaard: ‘Soms zwijgt een minister beter’. De minister in kwestie is Jan Jambon (Binnenlandse Zaken). Die had gezegd wat, volgens Ghijs, “ongetwijfeld het grootste deel van de bevolking ook dacht: (…) en dat een procedurefout nooit tot een vrijlating mag leiden.”

De aanleiding was deze keer het pleidooi van Sven Mary in de zaak tegen Salah Abdeslam, die vervolgd wordt in het kader van een schietpartij met de politie. Volgens Ghijs had Jambon beter zijn mond gehouden omdat “ministers, leden van de uitvoerende macht, zich beter niet uitlaten over de derde, rechterlijke macht.” Dat klopt; dat is het rechtsstatelijke argument. In dSWeekblad van het weekend, dus vlak voor Ghijs’ commentaar, krijgt de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, Jean de Codt (“de hoogste magistraat in een laag land”) bijna vijf pagina’s om uit te leggen dat de huidige Belgische regering en ‘de politiek’ de rechtsstaat in gevaar brengen. Dat heeft niet alleen te maken met de onderfinanciering van justitie, waardoor er bijvoorbeeld een tekort is aan magistraten, rechtbanken opgeheven worden of niet geïnvesteerd wordt in informatisering. Minstens even erg is de wijze waarop de uitvoerende macht actief ingrijpt in de organisatie en de werking van de rechterlijke macht. Een minister van Justitie die justitiehervormingen wil doorvoeren met wat hij zelf sarcastisch een potpourri noemt. Ministers die na een gerechtelijke uitspraak die indruist tegen hun idee van het gezonde volksaanvoelen zich smalend uitspreken over de wereldvreemdheid van rechters, of aangeven dat de uitspraak in beroep anders zal moeten zijn. Een regering die terrorismewetgeving doordrukt, die intenties strafbaar stelt. De inkomensgrens voor recht op juridische bijstand die onder de armoedegrens wordt gelegd, zodat vrijwel niemand meer er een beroep op kan doen – wie zo diep onder de armoedegrens leeft, procedeert niet meer. “Een minister (van Justitie) die zijn bevoegdheid overschrijdt, dat is toch geen rechtsstaat meer?”, zegt De Codt.

Voor Ghijs maakt dat allemaal niks uit. De reden waarom Jambon zich beter niet had uitgelaten over de derde, rechterlijke macht, heeft voor haar niets met de principes van de rechtsstaat te maken, maar wel met het effect in de media: “… zijn uitspraak gaf Mary opnieuw de kans zich te gedragen als een verongelijkte jongen die in de hoek wordt gedrongen. Telkens als een minister zich uitlaat over een concrete rechtszaak, reageren advocaten immers als door een wesp gestoken. Te pas en te onpas werpen ze zich op als de hoeders van de democratie, terwijl ze natuurlijk niet in de eerste plaats de democratie, maar wel het belang van hun cliënt, en dus van zichzelf, willen verdedigen.”

Je vraagt je af waarom Jambon in dat geval dan beter zijn mond gehouden had volgens Ghijs. Nu hij wel zijn commentaar geeft, is hij er immers in geslaagd advocaten te laten ontmaskeren als de verongelijkte jongens die zij zijn, hypocrieten die  zeggen de rechtsstaat te willen verdedigen, terwijl zij er in werkelijkheid alleen op uit zijn hun zakken te vullen. Als Jambon had gezwegen, had Ghijs dat allemaal niet kunnen onthullen.

Rechtsstaat of gezond volksaanvoelen? Voor Ghijs is de keuze snel gemaakt. Jammer dat zij niet even het interview met De Codt had gelezen in haar eigen krant – en die man is geen advocaat.

 

Syndicate content