durieux's blog

silenzio

Zo rond 1988 trad ik nogal eens op als lector voor een Amsterdams literair agent. Ik las Italiaanse publicaties rond filosofie, politiek en recht om te kijken of het zin had dat het agentschap achter de vertaalrechten aan ging. Zo kreeg ik op een dag Il feticcio quotiano (‘De dagelijkse fetisj’) in handen van de mij onbekende filosoof Gillo Dorfles. De man was toen 78, en had een lange lijst publicaties rond cultuur- en kunstfilosofie op zijn naam. Uit zijn wikipedia-lemma is niet helemaal op te maken of hij nadien nog nieuw werk gepubliceerd heeft. Dorfles is op 2 maart overleden, 107 jaar oud. Een typisch geval van de kip of het ei, zegt M. Is hij zo oud geworden omdat hij actief bleef, of is hij actief gebleven omdat hij goed oud werd?

N’importe, ik sla mijn exemplaar er nog eens op na en ik merk dat het boek vol aantekeningen staat; ik heb het dus blijkbaar aandachtig gelezen toen. Als ik de tekst nu opnieuw bekijk, vraag ik mij af of de man toen al niet een beetje een ouwe zeur was. (Ja, mag het, als je 78 bent?) Dorfles gebruikt de term fetisj om te verwijzen naar ‘aberrante beelden’ die men voor waar houdt, naar simulacra die de plaats innemen van elementen uit de dagelijkse werkelijkheid, naar de algehele toestand waarin zich onze beschaving bevindt, die gevoed wordt door de pseudo-eventi (fake news? fake truth?) waarover de massamedia berichten. Die kritiek op de constructie van dagelijkse fetisjen werkt hij concreet uit op terreinen als de zogezegde literatuurkritiek in de massamedia, op architectuur en design, of theater en film (Antonioni!), fotografie en publiciteit.

Ik neem er nog even het hoofdstuk bij dat hij heeft geschreven over stilte (Valore del silenzio e dell’intervallo). Stilte, voor Dorfles, is het beëindigen van rumoer, van klank, van elke expliciete activiteit, waardoor juist ruimte ontstaat voor wat anders; “… de stilte als pauze, als interval tussen twee klanken, twee woorden: een pauze waarin het mogelijk is een beroep te doen op nog onontgonnen creatieve krachten”. Nogal paradoxaal, lijkt mij, als de stilte er is om de stilte te vullen. Anderzijds, la voix du silence is een eeuwenoud begrip; wie er in slaagt zich af te sluiten van het rumoer van de buitenwereld, ontdekt een innerlijke stilte die ruimte biedt aan creativiteit. In Dorfles’ benadering is stilte dus vooral een (creatieve) interval, en als zodanig is het concept ook bruikbaar voor bijvoorbeeld ruimtelijke intervallen in de architectuur.

Dorfles gaat dan uitgebreider in op het constructieve gebruik van stilte en interval in het werk van enkele componisten uit zijn tijd: Schnebel, Berio, Xenakis, Stockhausen en uiteraard John Cage. In mijn ogen is het onbegrijpelijk dat hij Luigi Nono mist, maar goed, de voorbeelden die hij geeft zijn evident, begrijpelijk, en slechts een begin van analyse. Moeilijker heb ik het met zijn commentaar op de maatschappelijke herrie die – alweer – de massamedia over ons uitstorten.  La nuisance de l’environnement sonore heeft immers niet alleen te maken met de excessen van verkeer en stedelijk rumoer, maar ook met de doorlopende geluidsstroom van ‘consumptiemuziek van de ergste soort’, die overal doordringt, tot in de huiselijke sfeer. En dan gaat het volgens Dorfles niet alleen om “jazz, rock of andere ‘populaire’ muziek”, maar ook om ‘klassieke’ muziek die misbruikt wordt en waardoor stilte constant wordt opgeheven. Dat alles is “zonder twijfel een van de grote calamiteiten van onze tijd, en mogelijk de oorzaak van, vandaag nog niet goed omschreven, esthetische en ethische schade”.

Ik leef volkomen mee met Dorfles’ afkeer van achtergrondmuziek en -geluid. Ga maar eens in gelijke welke wachtkamer je beurt afwachten; je ontsnapt niet aan de meest stompzinnige radio- of tv-herrie, inclusief loeiende reclamespots die gericht lijken op hersendood vee. Of nog: cliché maar waar, de bouwvakkers die vanop hun stelling de hele straat terroriseren met de bagger van Radio 2.

Dorfles gaat echter ook verder. Het hoofdstuk eindigt met de waarschuwing: “Wie ook zelfs maar oppervlakkig gevolgd heeft wat zich afspeelt in een van de vele ‘rocktempels’ weet dat de muziek daar uitgevoerd wordt met een maximum aan intensiteit en een maximum aan ritme; zo kan men die hallucinatoire (of eigenlijk psychedelische) sfeer creëren die vaak een surrogaat is, of een bijproduct van drugs en andere abnormale stimulaties.”

Door stilte te beschouwen als een interval tussen momenten van herrie zit Dorfles met een paradox: zonder herrie geen stilte. Dat is op zich niet lastig. Wat ik wel vervelend vind: Dorfles is een elitaire cultuurpessimist, die zelfs mij te ver gaat. Een ouwe zeur, dat was voor hem een wel heel toepasselijk begrip.

 

echt waar

Fake news, post-truth, ach ach, niks nieuws onder de zon. Thomas Hobbes wist al dat waar en vals kenmerken zijn van woorden, niet van dingen. Wat waar is of vals wordt uiteindelijk bepaald in het discours dat in een bepaalde omstandigheid, op een bepaalde plek, op een bepaald moment, er het best in slaagt om verschijnselen te beschrijven, te wijzigen, te verbergen, of te vermommen. Hobbes lijkt in een bepaald opzicht niet ver af te staan van de benadering van Plato, in zijn beroemde allegorie van de grot uit Politeia (Staat). Daarin stelt hij de retorische vraag: “Meent ge niet dat de gevangenen in de mening zouden verkeren dat ze, door namen te geven aan wat ze zien, de werkelijke bestaande voorwerpen zelf zouden noemen?” (vertaling Xaveer De Win, 1961).

Zou Misako Ozaki het menen, dat zij door te benoemen wat ze ziet, de werkelijkheid beschrijft aan Masaya Nakamori, de blind wordende fotograaf in Hikari (‘Vers la lumière’) van Naomi Kawase uit 2017? Is audiodescriptie, zoals zij te volgen is bij bepaalde programma’s op de RTBF waar of vals?

Beiden, Plato en Hobbes, stellen vast dat het de taal is die de werkelijkheid kenbaar maakt. Maar Hobbes heeft de theorie van Plato een draai gegeven; de taal is niet de neutrale afspiegeling van de dingen, maar zij kleurt ze, zij manipuleert en tekent de werkelijkheid, die slechts kenbaar wordt als onderdeel van de ideologische, filosofische, religieuze, pragmatische … inzet van een betoog. En het is Michel Foucault die er de nadruk op legt dat de constructie van waarheid onlosmakelijk verbonden is met de constructie van macht. Het toekennen van waarheid aan een bepaalde  beschrijving van de werkelijkheid legitimeert een bepaalde vorm van macht. En omgekeerd, is het macht die toelaat een bepaalde beschrijving van de werkelijkheid voor waarheid te doen doorgaan. Kennis, gecombineerd met kracht, wordt waarheid; kracht in combinatie met kennis genereert macht. Als waarheid dus altijd geconstrueerd wordt in ingewikkelde processen van macht, kennis, taal (en subjectiviteit), dan zijn fake news of post-truth niet eens bijzondere fenomenen. Alle nieuws en alle waarheid komen tot stand in en door specifieke machtsstructuren.

Heeft Hillary Clinton werkelijk deelgenomen aan sexfestijnen met kinderen in de kelder van pizzeria Comet Ping Pong? Zal de linkse gutmensch in zijn absolute goedheid net het tegenovergestelde bewerkstelligen van wat hij claimt te willen: de totale afbraak van de welvaartsstaat? Leugens en flauwekul, zeg je? In bepaalde machtsverhoudingen en voor bepaalde machtsdoelen kunnen deze uitspraken het karakter van waarheid aannemen. Omgekeerd, wie er in slaagt de waarheid ervan te ondermijnen, ondermijnt daarmee ook de macht die deze uitspraken funderen. Met andere woorden, het ‘ontmaskeren’ van fake news gaat niet alleen om ‘de waarheid’, maar vooral om de macht die deze waarheid kan produceren.

Als een vertoog (een verhaal, een beeld, een symbool) betekenis kan geven aan mensen hun leven, dan is dat vertoog niet alleen daardoor een politieke machtsfactor, maar ook door het feit dat mensen er mee aan de slag gaan om hun wereldbeeld in te vullen. Het vertoog op zich kan waar of vals zijn, op het moment dat mensen het integreren in hun wereldbeeld en het reproduceren in hun taal, hun denken en hun daden, is het werkelijkheid geworden. Waarheid en onwaarheid maken plaats voor werkelijkheid en onwerkelijkheid.

Deze mechanismen spelen niet alleen in de productie of ontmanteling van waarheden voor directe en duidelijke politieke doeleinden. Zij werken zeker niet minder op een terrein waar wenselijkheid èn onvermijdelijkheid hand in hand lijken te gaan: innovatie en technische vooruitgang. ‘Mis jouw afspraak met de toekomst niet!’ Je hoeft er de technologierubrieken in de kranten maar op na te slaan, en je stuit voortdurend op een aantal stellingen die als waarheid worden verkondigd. De meest voorkomende, die je in alle maten en varianten terugvindt, is ‘technologie is neutraal – je kan er goed of slecht gebruik van maken’. (Vergelijk met de VSAmerikaanse klassieker over vuurwapens: “The only way to stop a bad guy with a gun is with a good guy with a gun.”) Neem nu het recente rapport over de toekomst van de Belgische advocatuur dat minister van Justitie Geens heeft besteld bij twee vooraanstaande zakenadvocaten (waarvan één een vroegere vennoot van hem). Het rapport pleit onder meer voor meer technologische toepassingen en de inzet van artificiële intelligentie om grip te krijgen op de big data van de rechtspraak. En net zoals in de VS en Groot-Brittanië (en China) al volop gebruik gemaakt wordt van algoritmes in het kader van predictive policing – met alle persoonlijke drama’s van dien – zo willen de auteurs van het rapport inzetten op justice prédictive. “En faisant tourner des algorithmes sur des données ciblées dans les jugements, arrêts ou commentaires de jurisprudence, il serait possible de prévoir, selon les auteurs, « avec un degré de fiabilité bien supérieur à celui d’un juriste classique », la solution qu’un juge pourrait donner à un casus donné”, stelt Le Soir (1 maart 2018).

Maar algoritmes zijn helemaal geen neutrale technologie. Computersystemen en artificiële intelligentie worden gemaakt door mensen, op basis van hun inschattingen van wat waar en echt is, relevant en pragmatisch. Zowat overal wordt tegenwoordig software uitgetest om in eenvoudige rechtszaken tot uitspraken te komen zonder tussenkomst van een rechter. Maar wat bepaalt wat een eenvoudige zaak is? Het bedrag dat op het spel staat? Bovendien is veel van deze intelligente technologie autopoietisch – en dat is ook de bedoeling: eens het systeem draait, op basis van tijdgebonden of toevallig ingevoerde gegevens, reproduceert het zichzelf zonder verdere sturing van buitenaf. Met andere woorden – en dat is de ervaring met predictive policing – na een tijdje produceert het systeem zijn eigen waarheid, die wel degelijk echte gevolgen creëert in de werkelijkheid. (Hier een doorwrochte wetenschappelijke analyse.)

Kortom, of het nu om politieke of technologische waarheid gaat, of ze ook echt is hangt af van de waarde die mensen er aan hechten en de manier waarop zij ermee omgaan. De verbeelding van wat waar en echt is, is niet alleen maar een politiek overtuigingsmiddel; als zij aanslaat wordt deze verbeelding zelf politieke inhoud. Bij ‘verbeelding’ hoef je overigens niet meteen aan beelden te denken; politieke verbeelding wordt nog steeds overwegend in taal uitgedrukt. En zo kom ik uiteindelijk terug bij het grote probleem waar (Franse) vrouwelijke denkers – Irigaray, Kristeva, Cixous – mee zaten in de jaren 1980: hoe druk je verzet uit in taal, als de taal die je daarvoor ter beschikking staat door en door geïmpregneerd is met de symbolische orde die je bestrijdt? Met een soort ‘heroïsch nihilisme’ waarin je taal dan maar helemaal opzij zet, schiet je niks op.

In 1987 vergeleek Susan Parsons de taal waarmee feministen hun verzet moesten vormgeven met de voorruit van een auto: "One of the things we can do is to examine the windscreen of the car we are driving so that we can notice its cracks, see where it is smudged, observe the way in which the particular material of which it is made distorts our vision of what is around us, or find the clear spaces by which we can get a good view of what lies ahead. In this way, we become aware of our finitude, our limitations, our unique perspective which constitutes our identity as persons with a point of view. But it is quite another thing actually to drive the car, an activity in which staring at the windscreen would be a serious liability since it is what we need to use in order to be able to get anywhere at all. Unless we desist from the activity for which windscreens were originally devised and found practicable, we must sometimes merely use them to go forward without noticing them."

Sluimert hier een gedachtegang die kan helpen om om te gaan met de macht in en achter verwerpelijke constructies van waarheid en werkelijkheid?

 

complexe muziek

Saxofonist Robin Verheyen heeft een nieuwe cd uit (Verheyen Copland Gress Hart, When the birds leave),  dus zie je hier & daar in de media recensies en interviews. Zo ook in Le Soir Mad van 31 januari.

Daarin beweert Verheyen over de nieuwe opname: “… je ne veux pas que cela sonne complexe et inaccessible pour le public.” Wat een merkwaardige opvatting, om complex en ontoegankelijk aan elkaar te koppelen. Een kenmerk van complexiteit is juist het tegendeel van ontoegankelijkheid, namelijk meervoudige toegankelijkheid. Complex is de materie die een veelheid aan toegangen biedt, en een grote diversiteit aan wegen om doorheen die materie telkens nieuwe situaties en verbanden te ontdekken. Denkt Verheyen misschien dat zijn publiek alleen maar rechttoe-rechtaan muziek aankan?

Wat verder zegt hij: “Ce qui fait que cet album est accessible, c’est … qu’il n’y pas des notes pour faire des notes, que même parfois il y a peu de notes. … Le silence est parfois plus fort que les notes.” Dat is wel zeker, dat stilte soms sterker is dan muziek of geluid of ‘noten’. Maar hoe heeft dat te maken met complexiteit? Verheyen lijkt te suggereren dat de aanwezigheid van stilte (‘weinig noten’) de muziek toegankelijk maakt. Als je stilte echter beschouwt als een integraal onderdeel van een muziekstuk, dan zijn de eenheden stilte net zo goed als de noten bouwstenen van de compositie. Een sequens van bijvoorbeeld noten 1 2 3 stilte 4 5 stilte 6 7 8 9 10 stilte 11 bestaat dan uit veertien elementen, die net zo goed tot een simpel als een complex werk kunnen leiden. Stilte is geen kenmerk van gebrek aan complexiteit. Sterker nog, stilte is zeker ook geen garantie voor toegankelijkheid. Luister bijvoorbeeld naar het korte 7 Haikus van John Cage: weinig noten, veel stilte. Zou dit zijn wat Verheyen toegankelijk vindt?

Ik denk dat in muziek de tegenstelling tussen complexiteit en toegankelijkheid een valse is. Ik denk dat wat Verheyen bedoelt, is dat hij muziek aanbiedt die het luisteraars mogelijk maakt er onmiddellijk aan deel te nemen; muziek die simpel en lineair verloopt, zodat toehoorders er meteen een betekenis kunnen aan geven. Daar is niks mis mee, integendeel. Muziek kan een geweldige factor zijn om welbevinden of andere emoties te stimuleren en te versterken. Daarnet stond bij de afwas Wang Dang Doodle op, door Koko Taylor, Live from Chicago 1987. Wow!

Wat ik maar wil zeggen is: je hebt muziek die (vrij) eenduidig is, en je hebt muziek die (eerder) meerduidig is. Muziek realiseert zich uiteindelijk door de uitvoering en in de luisterervaring. Uitvoerders kunnen wel muziek willen maken die niet complex of ontoegankelijk is voor het publiek, maar het is absoluut niet zeker dat de middelen die zij daartoe aangrijpen (weinig noten, veel stilte) ook effectief bij de luisteraars een gevoel van toegankelijkheid en eenvoud oproepen. Als muzikale betekenissen pas tot stand komen in het luisteren, dan is het dus de toehoorder zelf die muziek complex of toegankelijk of ontoegankelijk of simpel maakt. 

rechtsstaat

Gisteren mocht Inge Ghijs het redactionele commentaarstukje schrijven in De Standaard: ‘Soms zwijgt een minister beter’. De minister in kwestie is Jan Jambon (Binnenlandse Zaken). Die had gezegd wat, volgens Ghijs, “ongetwijfeld het grootste deel van de bevolking ook dacht: (…) en dat een procedurefout nooit tot een vrijlating mag leiden.”

De aanleiding was deze keer het pleidooi van Sven Mary in de zaak tegen Salah Abdeslam, die vervolgd wordt in het kader van een schietpartij met de politie. Volgens Ghijs had Jambon beter zijn mond gehouden omdat “ministers, leden van de uitvoerende macht, zich beter niet uitlaten over de derde, rechterlijke macht.” Dat klopt; dat is het rechtsstatelijke argument. In dSWeekblad van het weekend, dus vlak voor Ghijs’ commentaar, krijgt de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, Jean de Codt (“de hoogste magistraat in een laag land”) bijna vijf pagina’s om uit te leggen dat de huidige Belgische regering en ‘de politiek’ de rechtsstaat in gevaar brengen. Dat heeft niet alleen te maken met de onderfinanciering van justitie, waardoor er bijvoorbeeld een tekort is aan magistraten, rechtbanken opgeheven worden of niet geïnvesteerd wordt in informatisering. Minstens even erg is de wijze waarop de uitvoerende macht actief ingrijpt in de organisatie en de werking van de rechterlijke macht. Een minister van Justitie die justitiehervormingen wil doorvoeren met wat hij zelf sarcastisch een potpourri noemt. Ministers die na een gerechtelijke uitspraak die indruist tegen hun idee van het gezonde volksaanvoelen zich smalend uitspreken over de wereldvreemdheid van rechters, of aangeven dat de uitspraak in beroep anders zal moeten zijn. Een regering die terrorismewetgeving doordrukt, die intenties strafbaar stelt. De inkomensgrens voor recht op juridische bijstand die onder de armoedegrens wordt gelegd, zodat vrijwel niemand meer er een beroep op kan doen – wie zo diep onder de armoedegrens leeft, procedeert niet meer. “Een minister (van Justitie) die zijn bevoegdheid overschrijdt, dat is toch geen rechtsstaat meer?”, zegt De Codt.

Voor Ghijs maakt dat allemaal niks uit. De reden waarom Jambon zich beter niet had uitgelaten over de derde, rechterlijke macht, heeft voor haar niets met de principes van de rechtsstaat te maken, maar wel met het effect in de media: “… zijn uitspraak gaf Mary opnieuw de kans zich te gedragen als een verongelijkte jongen die in de hoek wordt gedrongen. Telkens als een minister zich uitlaat over een concrete rechtszaak, reageren advocaten immers als door een wesp gestoken. Te pas en te onpas werpen ze zich op als de hoeders van de democratie, terwijl ze natuurlijk niet in de eerste plaats de democratie, maar wel het belang van hun cliënt, en dus van zichzelf, willen verdedigen.”

Je vraagt je af waarom Jambon in dat geval dan beter zijn mond gehouden had volgens Ghijs. Nu hij wel zijn commentaar geeft, is hij er immers in geslaagd advocaten te laten ontmaskeren als de verongelijkte jongens die zij zijn, hypocrieten die  zeggen de rechtsstaat te willen verdedigen, terwijl zij er in werkelijkheid alleen op uit zijn hun zakken te vullen. Als Jambon had gezwegen, had Ghijs dat allemaal niet kunnen onthullen.

Rechtsstaat of gezond volksaanvoelen? Voor Ghijs is de keuze snel gemaakt. Jammer dat zij niet even het interview met De Codt had gelezen in haar eigen krant – en die man is geen advocaat.

 

17 miljoen wachtenden

Er zijn nog 17 miljoen wachtenden voor u. Dat is de titel van een boek waarin journalist Sander Heijne de resultaten bundelt van zeven jaar onderzoek voor de Volkskrant en de Correspondent naar de gevolgen voor de publieke dienstverlening wanneer daarop marktwerking wordt losgelaten.

Zeventien miljoen, zoveel Nederlanders zijn er. Maar wie denkt dat het om een puur Nederlands verhaal zal gaan, kan alvast een bewerking van het eerste hoofdstuk lezen op de Correspondent. Hilarisch – als het tenminste niet zo triest was – is de beschrijving van hoe exact zes jaar geleden een sneeuwbui van een paar uur het gehele spoorverkeer in Nederland lamlegde. Niet zoals het jaar daarvoor trouwens, en het jaar dààrvoor. ‘IJs op de wissels’, zegden zowel NS als ProRail (te vergelijken in België met de NMBS en Infrabel, de twee overheidsbedrijven verantwoordelijk voor resp. het vervoer en de infrastructuur). “Honderdduizenden forenzen en studenten strandden op gure perrons. Tot overmaat van ramp was er amper informatie. Reizigers hadden geen idee of en wanneer hun trein vertrok en moesten uren in de vrieskou wachten op hun sprinter of intercity. Soms doken treinen op bij de verkeerde perrons, waardoor reizigers na uren wachten alsnog hun trein misten.”

Nu kan je wel meewarig grinniken, omdat deze situatie in België dagelijkse kost is (behalve dan de vrieskou), maar de kern van de zaak is dat het ‘liberaliseren’ van de publieke sector bijna altijd ten koste is gegaan van de gebruikers, de burgers dus. Heijne schrijft:

“Ik heb tenminste nergens in de handelingen van de Tweede Kamer kunnen terugvinden dat de voorstanders van marktwerking op het spoor voornemens waren om een onbestuurbare chaos te creëren tijdens winterse buien op het spoor.

En toch gebeurde dit.

(..)

In de energiesector noemde geen voorstander van marktwerking het als een positieve bijkomstigheid dat al onze belangrijke elektriciteitsbedrijven in buitenlandse handen zouden komen, waardoor de Nederlandse overheid de grip op deze sector goeddeels zou verliezen.

En toch gebeurde dit.

Het massaontslag van 11 duizend relatief goed betaalde postbodes in 2010, om ze te vervangen door onderbetaalde postbezorgers, werd eind vorige eeuw ook al niet gebruikt als argument om de postmarkt te liberaliseren. Noch was het de bedoeling dat de prijs van de postzegel zou verdubbelen na het openstellen van de postmarkt.

En toch gebeurde dit.”

Heijne heeft misschien gelijk dat de negatieve resultaten niet werden aangevoerd als argument om al die diensten weg te halen bij de overheid en aan te bieden aan privé-investeerders, maar dat zij op de achtergrond meespeelden als motivatie voor de privatiseringen is wel zeker. ‘De overheid ontvetten’ heet dat in het liberale politieke jargon. ‘Laat ons dat maar doen’, zeggen de privé-investeerders – ‘maar wel met subsidies, hoor’.

De diensten die de overheid aanbood zouden goedkoper en beter en efficiënter worden, als zij maar overgedragen werden aan privé-spelers en de vrije markt. Niet dus; de enigen die er beter van werden, zijn de aandeelhouders (en de ingehuurde consultants en interim-managers). Neem nu de posterijen. Bpost is een enorm succesverhaal, schrijven de kranten. Ja, voor de aandeelhouders; die zien meer winst in hun zakken vloeien naargelang er meer postkantoren gesloten worden en meer postbodes ontslagen. Maar worden de burgers, of de nieuwe postbezorgers, of zelfs de uitbaters van de postpunten er ook maar iets beter van?

Sander Heijne zegt dat hij in  Er zijn nog 17 miljoen wachtenden voor u  ook redenen voor hoop geeft. “Samen kunnen we de negatieve invloed van de markt op onze publieke diensten terugdringen.” Ik ben benieuwd.

 

plek-plek: klasse

“Turkmenistans Diktator las, dass in über der Hälfte aller Unfälle Frauen verwickelt sind. Er verbot Frauen das Autofahren. Jetzt werden 100 Prozent der Unfälle von Männern verursacht. Denen das Autofahren verbieten und schon gibt es gar keine Autounfälle mehr. Klasse.“

Silke Karcher, Berlin, taz, 17. Januar 2018

 

goed vlees

Als je de commerciële pers moet geloven, is er in België een groeiende tendens om minder vlees te gaan eten. Daar zou anders wel een aantal goede (ecologische) redenen voor zijn: de ruimte die de productie van dierenvoeding in beslag neemt en die niet meer gebruikt kan worden voor  voedsel voor mensen, de ontbossing die daarmee gepaard gaat in grote delen van Zuid-Amerika en Azië, het enorme waterverbruik in de veeteelt, de productie van methaangas door herkauwers, enzovoort. En er is natuurlijk nog de kwestie van het welzijn van de dieren zelf, niet alleen in de omstandigheden van de kweek, maar vooral bij de (al dan niet verdoofde) slacht.

Als je geen levende wezens wil doden voor je voedsel, moet je maar zand en stenen eten – maar dat neemt niet weg dat er heel wat op te merken is over de ecologische impact van veeteelt en over ethiek bij het slachten. Nature et Progrès Belgique heeft het hele jaar 2017 gewerkt rond het thema van verantwoorde veeteelt en vleesproductie, en de resultaten daarvan worden nu gepubliceerd.

Wat de leefomgeving betreft, heeft veeteelt dan geen voordelen? Zeker wel – althans wanneer het gaat om dieren die buiten, op weiden, venen en heidegrond grazen (bodembeheer, instandhouding van plantaardige en dierlijke biodiversiteit, productie van mest, …). Die organische mest is overigens een integraal onderdeel van de cyclus in de biologische veeteelt: de bodem voedt de planten, de planten voeden de mensen en de dieren, de dieren voeden weer de bodem.

Om de invloed van veeteelt op het leefmilieu te beperken is niet alleen een kwantitatieve vermindering (zowel van productie als van consumptie van vlees) vereist, maar vooral een keuze voor de kwaliteit van de kweek. Grazers die in de natuur gras en planten eten leveren niet alleen veel lekkerder vlees, zij hebben ook de kleinste ecologische impact. Net als planten leven dieren buiten volgens de seizoenen. De cultus van het lamsvlees bij Pasen is in deze streken dus volkomen artificieel. In de natuur werpen schapen bij het begin van de lente; vlees van buiten grazende lammeren is er dus pas aan het eind van de zomer of in de herfst. Paaslam komt uit de fabriek of uit Nieuw-Zeeland.

Wat de slacht betreft, zijn in heel België in de loop van 2017 tussen de sector en de overheid afspraken gemaakt over toezicht op dierenwelzijn. Maar zoals Dorien Knockaert al schreef: diervriendelijk slachten bestaat niet. Een slachthuis kan een bio-certificaat hebben, maar dat betekent alleen een aparte behandeling – in de tijd of in de ruimte – van biologische en industriedieren. (Niet altijd simpel, aangezien de dieren bij voorkeur door een smalle gang gedreven worden, en weiderunderen zoals de Salers, met hun prachtige grote horens, daar niet in passen.) Bovendien zijn er nogal wat kleine kwekerijen, die verkopen via een slager in de buurt of direct, in colis, op de boerderij. Die bedrijfjes zouden gebaat zijn bij kleinschalige slachtvoorzieningen in de omgeving, maar dat gaat dan weer in tegen de algemene trend van schaalvergroting en standaardisering in de vleesindustrie.

In Wallonië proberen verschillende veehouders, consumenten en organisaties al enkele jaren een goed systeem op te zetten van slacht op de hoeve zelf, bijvoorbeeld in mobiele slachtvoorzieningen op een vrachtwagen, of zelfs met het afschieten van de dieren in de wei (daar worden voorschriften voor vastgelegd). Vooral de stress van het transport en de paniek bij vreemde dieren in de ‘dodengang’ wil men hierbij vermijden. Het klinkt cru, maar wie vlees wil, moet doden – en wie geen vlees wil, ook. Dan kan je het maar beter doen met zoveel mogelijk respect voor wie of wat eraan gaat en je voedt.

Het dossier van Nature et Progrès over vlees en veeteelt kan je hier downloaden.

plek-plek: #zwartepiet

"Wie kent er het verschil tussen Sint Niklaas en Loemoemba?

(...)

Er is geen verschil. Zij hebben alletwee, alletwee, wel ...?"

Hugo Claus, Omtrent Deedee (1963)

brusselaars en vluchtelingen

Prachtige reportage: hoe Brusselaars op eigen houtje vluchtelingen aan het Maximiliaanpark opvangen. Ontroerend, en tegelijk stuitend, als je hoort hoe de overheid optreedt.

Apache bivakkeerde in het Maximiliaanpark en legde in tekst en beeld vast hoe de gewone Brusselaar zich – op risico zelf aangehouden te worden – over vluchtelingen ontfermt:

Kerstverhaal: ‘Als de overheid vluchtelingen laat creperen, helpen wij ze maar’

(Mooi ook, hoe Frans en Nederlands – en Engels – door elkaar gebruikt worden.)

médor

Syndicate content