taal

newspeak

A short remark concerning the post hereunder minimiser les effets.

It is customary to talk in English about wind farms, in Dutch about windmolenparken. But farms, nor parcs or windmills have anything to do with the industrial zones that are created all through farmland and forests to install gigantic wind turbines. Windmills or watermills at least used to mill something: cereals, or seeds or even wood. These huge industrial wind turbines don’t grind anything at all. And while windmills and waterwheels were fully integrated in the landscape, the contemporary enormous turbines can be five or six times higher than the largest trees that happen not to be cut to create these plots. Landmarks they are, certainly, and they can fit in large port areas or industrial zones, but would you accept huge areas of woodland to be erased for the construction of an industrial complex?

It’s completely erroneous then to speak about farms or parcs, as if these industrial zones had anything to do with agriculture or a woodland ecosystem or any charming aspect of nature. It’s much like the widespread term container park – containerpark – parc à conteneurs. When you bring away your assorted garbage, do you really think about a parc with lanes and trees and grass and bushes and the appeal of nature?

The term newspeak was coined by Georges Orwell in his novel 1984. Merriam-Webster gives this definition: “propagandistic language marked by euphemism, circumlocution, and the inversion of customary meanings”.

It wouldn’t be the first time that industrial promotors and their political accomplices scatter terms that evoke things green, natural, ecological, … But let’s call the things by their name. It’s all about wind turbines, that are settled in power plants for which industrial zones are created. No more, no less.

 

echt waar

Fake news, post-truth, ach ach, niks nieuws onder de zon. Thomas Hobbes wist al dat waar en vals kenmerken zijn van woorden, niet van dingen. Wat waar is of vals wordt uiteindelijk bepaald in het discours dat in een bepaalde omstandigheid, op een bepaalde plek, op een bepaald moment, er het best in slaagt om verschijnselen te beschrijven, te wijzigen, te verbergen, of te vermommen. Hobbes lijkt in een bepaald opzicht niet ver af te staan van de benadering van Plato, in zijn beroemde allegorie van de grot uit Politeia (Staat). Daarin stelt hij de retorische vraag: “Meent ge niet dat de gevangenen in de mening zouden verkeren dat ze, door namen te geven aan wat ze zien, de werkelijke bestaande voorwerpen zelf zouden noemen?” (vertaling Xaveer De Win, 1961).

Zou Misako Ozaki het menen, dat zij door te benoemen wat ze ziet, de werkelijkheid beschrijft aan Masaya Nakamori, de blind wordende fotograaf in Hikari (‘Vers la lumière’) van Naomi Kawase uit 2017? Is audiodescriptie, zoals zij te volgen is bij bepaalde programma’s op de RTBF waar of vals?

Beiden, Plato en Hobbes, stellen vast dat het de taal is die de werkelijkheid kenbaar maakt. Maar Hobbes heeft de theorie van Plato een draai gegeven; de taal is niet de neutrale afspiegeling van de dingen, maar zij kleurt ze, zij manipuleert en tekent de werkelijkheid, die slechts kenbaar wordt als onderdeel van de ideologische, filosofische, religieuze, pragmatische … inzet van een betoog. En het is Michel Foucault die er de nadruk op legt dat de constructie van waarheid onlosmakelijk verbonden is met de constructie van macht. Het toekennen van waarheid aan een bepaalde  beschrijving van de werkelijkheid legitimeert een bepaalde vorm van macht. En omgekeerd, is het macht die toelaat een bepaalde beschrijving van de werkelijkheid voor waarheid te doen doorgaan. Kennis, gecombineerd met kracht, wordt waarheid; kracht in combinatie met kennis genereert macht. Als waarheid dus altijd geconstrueerd wordt in ingewikkelde processen van macht, kennis, taal (en subjectiviteit), dan zijn fake news of post-truth niet eens bijzondere fenomenen. Alle nieuws en alle waarheid komen tot stand in en door specifieke machtsstructuren.

Heeft Hillary Clinton werkelijk deelgenomen aan sexfestijnen met kinderen in de kelder van pizzeria Comet Ping Pong? Zal de linkse gutmensch in zijn absolute goedheid net het tegenovergestelde bewerkstelligen van wat hij claimt te willen: de totale afbraak van de welvaartsstaat? Leugens en flauwekul, zeg je? In bepaalde machtsverhoudingen en voor bepaalde machtsdoelen kunnen deze uitspraken het karakter van waarheid aannemen. Omgekeerd, wie er in slaagt de waarheid ervan te ondermijnen, ondermijnt daarmee ook de macht die deze uitspraken funderen. Met andere woorden, het ‘ontmaskeren’ van fake news gaat niet alleen om ‘de waarheid’, maar vooral om de macht die deze waarheid kan produceren.

Als een vertoog (een verhaal, een beeld, een symbool) betekenis kan geven aan mensen hun leven, dan is dat vertoog niet alleen daardoor een politieke machtsfactor, maar ook door het feit dat mensen er mee aan de slag gaan om hun wereldbeeld in te vullen. Het vertoog op zich kan waar of vals zijn, op het moment dat mensen het integreren in hun wereldbeeld en het reproduceren in hun taal, hun denken en hun daden, is het werkelijkheid geworden. Waarheid en onwaarheid maken plaats voor werkelijkheid en onwerkelijkheid.

Deze mechanismen spelen niet alleen in de productie of ontmanteling van waarheden voor directe en duidelijke politieke doeleinden. Zij werken zeker niet minder op een terrein waar wenselijkheid èn onvermijdelijkheid hand in hand lijken te gaan: innovatie en technische vooruitgang. ‘Mis jouw afspraak met de toekomst niet!’ Je hoeft er de technologierubrieken in de kranten maar op na te slaan, en je stuit voortdurend op een aantal stellingen die als waarheid worden verkondigd. De meest voorkomende, die je in alle maten en varianten terugvindt, is ‘technologie is neutraal – je kan er goed of slecht gebruik van maken’. (Vergelijk met de VSAmerikaanse klassieker over vuurwapens: “The only way to stop a bad guy with a gun is with a good guy with a gun.”) Neem nu het recente rapport over de toekomst van de Belgische advocatuur dat minister van Justitie Geens heeft besteld bij twee vooraanstaande zakenadvocaten (waarvan één een vroegere vennoot van hem). Het rapport pleit onder meer voor meer technologische toepassingen en de inzet van artificiële intelligentie om grip te krijgen op de big data van de rechtspraak. En net zoals in de VS en Groot-Brittanië (en China) al volop gebruik gemaakt wordt van algoritmes in het kader van predictive policing – met alle persoonlijke drama’s van dien – zo willen de auteurs van het rapport inzetten op justice prédictive. “En faisant tourner des algorithmes sur des données ciblées dans les jugements, arrêts ou commentaires de jurisprudence, il serait possible de prévoir, selon les auteurs, « avec un degré de fiabilité bien supérieur à celui d’un juriste classique », la solution qu’un juge pourrait donner à un casus donné”, stelt Le Soir (1 maart 2018).

Maar algoritmes zijn helemaal geen neutrale technologie. Computersystemen en artificiële intelligentie worden gemaakt door mensen, op basis van hun inschattingen van wat waar en echt is, relevant en pragmatisch. Zowat overal wordt tegenwoordig software uitgetest om in eenvoudige rechtszaken tot uitspraken te komen zonder tussenkomst van een rechter. Maar wat bepaalt wat een eenvoudige zaak is? Het bedrag dat op het spel staat? Bovendien is veel van deze intelligente technologie autopoietisch – en dat is ook de bedoeling: eens het systeem draait, op basis van tijdgebonden of toevallig ingevoerde gegevens, reproduceert het zichzelf zonder verdere sturing van buitenaf. Met andere woorden – en dat is de ervaring met predictive policing – na een tijdje produceert het systeem zijn eigen waarheid, die wel degelijk echte gevolgen creëert in de werkelijkheid. (Hier een doorwrochte wetenschappelijke analyse.)

Kortom, of het nu om politieke of technologische waarheid gaat, of ze ook echt is hangt af van de waarde die mensen er aan hechten en de manier waarop zij ermee omgaan. De verbeelding van wat waar en echt is, is niet alleen maar een politiek overtuigingsmiddel; als zij aanslaat wordt deze verbeelding zelf politieke inhoud. Bij ‘verbeelding’ hoef je overigens niet meteen aan beelden te denken; politieke verbeelding wordt nog steeds overwegend in taal uitgedrukt. En zo kom ik uiteindelijk terug bij het grote probleem waar (Franse) vrouwelijke denkers – Irigaray, Kristeva, Cixous – mee zaten in de jaren 1980: hoe druk je verzet uit in taal, als de taal die je daarvoor ter beschikking staat door en door geïmpregneerd is met de symbolische orde die je bestrijdt? Met een soort ‘heroïsch nihilisme’ waarin je taal dan maar helemaal opzij zet, schiet je niks op.

In 1987 vergeleek Susan Parsons de taal waarmee feministen hun verzet moesten vormgeven met de voorruit van een auto: "One of the things we can do is to examine the windscreen of the car we are driving so that we can notice its cracks, see where it is smudged, observe the way in which the particular material of which it is made distorts our vision of what is around us, or find the clear spaces by which we can get a good view of what lies ahead. In this way, we become aware of our finitude, our limitations, our unique perspective which constitutes our identity as persons with a point of view. But it is quite another thing actually to drive the car, an activity in which staring at the windscreen would be a serious liability since it is what we need to use in order to be able to get anywhere at all. Unless we desist from the activity for which windscreens were originally devised and found practicable, we must sometimes merely use them to go forward without noticing them."

Sluimert hier een gedachtegang die kan helpen om om te gaan met de macht in en achter verwerpelijke constructies van waarheid en werkelijkheid?

 

progressief - conservatief

Dit is eigenlijk vooral een aantekening voor mijzelf. Ik probeer een definitie en een positiebepaling vast te leggen, die ik kan gebruiken wanneer ik schrijf.

Ik heb altijd zoveel mogelijk geprobeerd termen als ‘progressief’ en ‘conservatief’, of ‘links’ en ‘rechts’ ter vermijden. Ben ik conservatief, als ik verworvenheden uit de jaren 1970, die toen als progressief golden, probeer te vrijwaren tegen nieuwe ontwikkelingen die ik als verwerpelijk beschouw? Als ik bijvoorbeeld grote moeite heb met de toenemende acceptatie van maatschappelijke argumenten voor of tegen van alles en nog wat van mensen die zich op ‘hun geloof’ beroepen, terwijl het juist een grote verworvenheid was van de jaren zeventig dat de maatschappelijke invloed van de geestelijkheid werd teruggedrongen?

Is het progressief, wat het toenmalige ‘hoofd kwaliteitszorg’ van een Rotterdamse hogeschool ooit letterlijk tegen mij zei: “Boeken zijn achterlijk. Tegenwoordig vind je alles op internet.” (Nee, dat is geen goed voorbeeld; dit is gewoon dom.) Ben ik progressief als ik mij verzet tegen de aanleg van een windenergiecentrale waarvoor zeven hectare bos moet gekapt worden, of is het juist progressief om overal windturbines neer te poten in de strijd voor ‘de redding van het klimaat’? En wat is de relatie met ‘links’ en ‘rechts’? Doet het er eigenlijk wat toe, of je iets of iemand progressief of conservatief kan noemen?

Op het eerste gezicht wel. In de media lijken de begrippen onontkoombaar, of het nu over ontwikkelingen of individuen gaat, in politiek, cultuur, economie, lifestyle, … Bovendien zijn het geen louter descriptieve termen; progressief en conservatief, links en rechts dragen een morele connotatie mee, het ene is beter of juister dan het andere. En omdat de begrippen zo intuïtief lijken en voor de hand liggend, wordt ook voortdurend verwacht dat je jezelf positioneert in een van die ‘kampen’.

Het onderscheid tussen links en rechts lijkt op het eerste gezicht eenvoudig als je voortgaat op de geschiedenis van de begrippen. Het verhaal is bekend: de politieke begrippen links en rechts waren aanvankelijk gewoon een plaatsbepaling. Na de Franse Revolutie werd in parlementaire debatten de opdeling in standen (burgerij, clerus, adel) steeds minder relevant. Vertegenwoordigers van de burgerij, lagere clerus en een deel van de adel vonden elkaar in hun kritiek op de monarchie en in een streven naar meer gelijkheid en verandering; die zaten aan de linkerzijde van het parlement. De aristocratie en de hogere clerus wilden de macht van het volk beperken, en de status quo van sociale en politieke ongelijkheid behouden; die zaten rechts. Op die manier werden behoudsgezind (conservatief) en rechts gelijkgesteld, net als veranderingsgericht (progressief) en links.

Maar wat nu als een politieke partij die pleit voor meer sociale gelijkheid behoorlijk behoudende standpunten inneemt op het gebied van globalisering en migratie? Of als een economisch rechtse partij (individuele verdienste in plaats van solidariteit) in naam van het individuele zelfbeschikkingsrecht verregaande mogelijkheden voor euthanasie bepleit? Is dat progressief? Er is blijkbaar ruimte voor conservatief links en progressief rechts. Misschien moeten conservatief en rechts, links en progressief dus maar ontkoppeld worden.

Je zou links en rechts kunnen gebruiken voor de tegenstellingen in de opvattingen over de verdeling van maatschappelijke (materiële en immateriële) rijkdom. Links staat dan voor een eerlijke verdeling, die streeft naar gelijkheid onder de burgers, en dus volop ruimte biedt voor solidariteit. Rechts wil ook een eerlijke verdeling, maar een die gebaseerd is op individuele verdienste, op de vrucht van zelfredzaamheid. Dat linkse streven naar gelijkheid en solidariteit fnuikt het privé-initiatief en de zelfrealisatie, zeggen de enen. Individuele verdienste en gelijke kansen vertrekken altijd vanuit een bepaalde maatschappelijke positie en behouden of versterken dus de ongelijke machtsverhoudingen, zeggen de anderen.

Hier kan je als individu een keuze maken. Wil je dat iedereen een kans heeft zich ten volle te realiseren, en ben je bereid daarvoor solidair te zijn, en diegenen die vanuit een moeilijke positie vertrekken een extra steuntje te geven? Dan ben je links. Ga je ervan uit dat iedereen gelijke kansen heeft om zich te realiseren, en dat dus individuele verdienste het enige criterium is of je al dan niet maatschappelijk slaagt, dan ben je rechts. Tiens, zo vallen rechts en behoud van de status quo toch weer samen. En ook links en streven naar maatschappelijke verandering.

Als links en rechts staan voor verschillende opvattingen over de eerlijke verdeling van maatschappelijke rijkdom, staan conservatief en progressief misschien eerder voor culturele waarden, voor opvattingen over wat belangrijk is als kader om het bestaan en de wereld zin en betekenis te geven.  In De groene Amsterdammer van 23 februari 2017 schrijft Jop de Vrieze: “Een progressief is gericht op vooruitgang, hecht veel aan de individuele waarden zoals het voorkomen van schade en het bieden van gelijke kansen. Voor een progressief zijn deze waarden universeel – de universele mensenrechten zijn bij uitstek progressief. Een conservatief is gericht op het behoud van datgene wat er is en hecht net zozeer aan de groepswaarden. Voor hen is loyaliteit naar de eigen groep belangrijker dan rechtvaardigheid voor het individu.”

In deze omschrijving zie je de moeilijkheden over elkaar heen buitelen. Een progressief is gericht op vooruitgang? Dan moet je vooruitgang omschrijven. Rechtse politici en ondernemers vinden het ‘vooruitgang’ als zij de sociale bescherming van arbeiders kunnen afschaffen, als flexibiliteit een nieuw woord wordt voor uitbuiting, als zij belastingen en sociale zekerheid ‘hervormen’ zodat rijkdom blijft waar zij zit en niet herverdeeld wordt. Die vooruitgang is niet progressief, maar gericht op het behoud en de uitbreiding van de eigen machtspositie. Vooruitgang is progressief als die gericht is op de verbetering van de wereld, op een betere wereld voor iedereen en niet alleen voor de rijken. Eh ja, werkelijk progressieven zijn wereldverbeteraars. Niks mis mee.

Een progressief hecht veel aan de individuele waarden en het bieden van gelijke kansen. Die individuele waarden zijn ook een stokpaardje van politiek rechts (zelfredzaamheid, individuele verdienste, zelfbeschikking). En over het bieden van gelijke kansen had ik het al eerder. In het nieuwe tijdschrift Lava gaat Karim Zahidi hier uitgebreid op in (tussenkop “Gelijke kansen: schaamlapje voor ongelijkheid”). Het is overigens ook een klassieker in de theorieën over mensenrechten: gelijke behandeling in ongelijke gevallen leidt tot ongelijke resultaten. En over de universaliteit van mensenrechten: ik denk dat die opvatting theoretisch onhoudbaar is (daarover een andere keer), en ook dat het respect voor die waarden en rechten niet typisch progressief of conservatief is. Wie zich verzet tegen de waarden die zijn vastgelegd in het systeem van mensenrechten is niet conservatief, maar reactionair. Die wil de verworvenheden van de moderniteit afschaffen.

Het onderscheid tussen progressief (nadruk op individuele waarden) en conservatief (groepswaarden) is, denk ik, veel te simpel. De zeer gesofisticeerde en overwegend Noord-Amerikaanse discussies in de jaren 1980 en 1990 over liberalism en communitarianism (gemeenschapsdenken) geven aan dat het verschil tussen progressief en conservatief, zowel cultureel als politiek, een zaak is van eindeloze nuance. Misschien is het onderscheid ook helemaal niet zo belangrijk; kan je progressief zijn op bepaalde terreinen (kunst, gender, mobiliteit) en conservatief op andere (privacy, sociale media, onderwijs). Belangrijker lijkt mij de individuele keuze voor solidariteit of eigenbelang, voor links of rechts dus.

OORLOGSSITUATIE

Hoe pathetisch kan je worden, als het gaat om ‘de redding van het klimaat’?

John Vandaele schreef onlangs een opiniestuk voor de Standaard. De man is journalist en voorzitter van een Gentse coöperatie die een zegje wil hebben in het beheer van twee windmolens van Eneco. Op 4-5 mei schreef hij: “Wij hebben intussen een vergunning (dwz. Eneco heeft die vergunning – HD), maar één enkele burger kan naar de Raad van State trekken en dan kan het klimaat weer anderhalf jaar wachten. Maar het klimaat wacht niet. Eigenlijk brengt de klimaatverandering ons in een oorlogssituatie, waardoor we in sneltempo de juiste investeringen moeten doen. Kunnen juristen geen procedures ontwerpen die aangepast zijn aan die situatie – maar uiteraard binnen de grondwet vallen?” Gevonden vreten natuurlijk voor de beruchte koppenmakers van de krant: “Klimaatverandering brengt ons in een oorlogssituatie”.

Welja, niet alleen zitten wij nu vanwege de ‘terrorismedreiging’ opgescheept met een noodtoestand, militairen op straat en uitzonderingswetgeving, maar daarnaast moeten juristen nog eens gepaste procedures gaan verzinnen om de oorlogssituatie van de klimaatverandering het hoofd te bieden. Een suggestie: slacht meteen (verdoofd, uiteraard) alle koeien, dat zal de methaanuitstoot stante pede drastisch reduceren. En laat het leger beletten dat mensen zich nog voor andere doeleinden verplaatsen dan om te gaan werken en produceren (behalve als zij met een wagen van de zaak gaan, want dat is hors catégorie).

Ach ach, oorlogssituatie, inspraak in het beleid van een multinational, noodprocedures, het klimaat wacht niet, … het is pathetisch gejammer dat de kern van het probleem niet benoemt. Die kern is dat we leven in een (globaal) economisch systeem dat gebaseerd is op de fetisj van meerwaardeproductie en groei. Of je nu pleit voor nieuwe technologie of voor nieuwe regelgeving, die veranderen niets als zij geen basis hebben in een nieuwe politiek en een nieuwe cultuur, waarin eerst gekeken wordt naar wat men nodig heeft, en dan pas naar de technieken, procedures en mechanismen om dat te bereiken. Het systeem waarin wij nu leven – en dat zo langzamerhand aan de gehele wereld is opgedrongen – gaat juist uit van het tegendeel. Het kapitalisme draait op groei en meerwaardeproductie, en die kunnen elkaar slechts wederzijds blijven reproduceren, zolang er steeds opnieuw consumenten gecreëerd worden die door hun consumptie die motor draaiende houden. Intussen lijkt zowat iedereen er nu van overtuigd dat groei en de productie van meerwaarde ook voor de mens een noodzakelijke voorwaarde zijn om zich met succes te kunnen positioneren op de marktplaats, die de samenleving geworden is. Wat zou je dan nog jammeren over het klimaat ‘dat niet wacht’, als je alternatieve vormen van energieopwekking er alleen maar toe dienen om natuurlijke en culturele remmen weg te nemen voor de fetisj van de groei?

 

Vaagtaal

www.vaagtaal.nl is een uiterst leuke website, die zich al geruime tijd richt op het ontluisteren en doorprikken van vaagtaal. Waar gaat het om?

“Vaagtaal bestaat uit woorden en uitdrukkingen die onduidelijk, dubbelzinnig, misleidend, overbodig of storend zijn. Vaagtaal is taal die verleidt, misleidt, verwart en voor ergernis zorgt:

  • door vaagtaal moeten medewerkers tegenwoordig proactief zijn en in het bezit van krachtige kerncompetenties.
  • door vaagtaal is je buurvrouw letterlijk doodgereden, zelfs als zij nog springlevend voor je staat.
  • door vaagtaal presenteren ambtenaren schaamteloos hun beleidsbeleid dat er voor moet zorgen dat het beleid ten aanzien van beleidsresistente burgers handjes en voetjes krijgt.
  • door vaagtaal heten criminele jongeren tegenwoordig kansjongeren die in kanswijken wonen, want kansen zijn altijd goed.

Je ziet het: vaagtaal is overal. Dat is logisch, want vaagtaal is uiterst besmettelijk. Het is namelijk een LOA, een door Lezen en luisteren Overdraagbare Aandoening.”

Ik realiseer me dat ‘ontluisteren en doorprikken’ gevaarlijk dicht in de buurt van vaagtaal komt. Omdat ik niet de enige ben die het risico loopt op besmetting, heeft de redactie een gratis e-boek samengesteld: negen slappe excuses voor vaagtaal. Je kan het hier downloaden. Hilarisch, maar zeer herkenbaar.

 

Foute taal

Het Groot Dictee der Nederlandse Taal 2013, dat morgen plaatsvindt, is geschreven door Kees van Kooten. In de aanloop daar naartoe had hij een hilarisch (of toch irritant?) optreden in De wereld draait door. (De inhoud van die monoloog was ook, vormgegeven als een interview, te lezen in De Morgen van 14 december 2013.) Van Kooten gaf in DWDD een aantal voorbeelden uit zijn collectie foute titels, foute zinnen en spelfouten, gevonden in Nederlandse kranten. Dat gaat dan van ‘Van slavernij verdacht Brits echtpaar op borgtocht vrij’ tot ‘Romijnse Oudheid’ of het gebruik van ‘mits’ in plaats van ‘tenzij’.

Hij concludeert: “Dus kunnen we foute taal niet dulden. Taal is waar het op staat.”

Toevallig kreeg Van Kooten in diezelfde krant van 14 december nog eens een extra bron van ergernis aangeboden door de Belgische minister van Justitie, Annemie Turtelboom. Bijna een volledige krantenpagina lang mag zij opsommen wat zij allemaal in twee jaar verwezenlijkt heeft bij de hervorming van Justitie. Zij begrijpt dat de vakbonden het daar soms moeilijk mee hebben, maar dat neemt niet weg dat zij hoopt dat “over enkele weken” de Senaat het tweede wetsontwerp op het beheer van Justitie zal goedkeuren. Dan “zal onomkeerbaar een periode van tien jaar van verandering in justitie starten. En wie betwist nog dat dit niet nodig zou zijn?

 

Standaardnederlands

Uit een of ander onderzoek, dat De grote taalpeiling wordt genoemd, concludeert De Standaard onder meer: “Overigens: hoe tolerant de Vlaming ook staat tegenover dialect en tussentaal in minder formele situaties, toch verwacht hij dat de media en het onderwijs het goede voorbeeld blijven geven.

Die verwachting valt dan toch op dorre bodem bij de Nederlandstalige ‘kwaliteitskranten’ in België. In De Standaard lees je regelmatig – zelfs in koppen – dat iemand ‘zijn kat stuurt’ of ‘achter de computer kruipt’. Alleen dadakes en saluukes komen nog niet courant voor op die krantenpagina’s.  De andere zelfverklaarde kwaliteitskrant, De Morgen, bereikte afgelopen woensdag dan weer wel een nieuw hoogtepunt. Op twee verschillende plekken werden ‘tenen uitgekuist’. Op pagina 11: “Als kinderarts mag je je tenen uitkuisen als je een discussie met hen wil voeren.” En in de column van ene Filip Joos: “… de makers zullen hun tenen mogen uitkuisen om het niveau van de artikelenreeks in Humo te benaderen.”

 

Tenen uitkuisen? Dat is het Vlaanderen zoals men het blijkbaar graag heeft: ongewassen en met zijn poten in een zompige wei. Als het van de ‘kwaliteitskranten’ afhangt, zal er nog niet zo snel een eind komen aan de Vlaamse boertigheid.

Mal français of langue unique ?

 

Mal français of langue unique ?

Onder de kop ‘Le mal français’ mag Luckas Vander Taelen in De Standaard nog eens van leer trekken tegen Franstaligen. Deze keer zijn het de Fransen die het moeten ontgelden: “Nog steeds leven veel Franse intellectuelen in een zelfingenomen microkosmos. Het lijkt hen volledig te ontgaan dat de wereld niet meer naar hen luistert en dat de invloed van de Franse cultuur de enge francofonie niet overstijgt, ook al omdat het Engels het Frans als wereldtaal compleet heeft verdrongen. [-] De wereld verandert, maar een groot deel van de Fransen wil vooral dat alles weer wordt zoals vroeger.”

Vander Taelen schrijft het met nogal wat dédain, maar inderdaad, er is in Frankrijk enig ongemak over de omgang met de ‘nieuwe’ wereldtaal. Sinds enige maanden is een van de belangrijke terreinen waarop de discussie zich afspeelt dat van het hoger onderwijs (net zoals dat het geval is trouwens in België en Nederland). Sinds 1994 is bij wet vastgesteld dat de taal van onderwijs en examens, thesissen en proefschriften in de openbare en private onderwijsinstellingen het Frans is. De minister van Onderzoek en Hoger Onderwijs wil nu dat aan de universiteiten voortaan in het Engels gedoceerd wordt, met name om studenten uit opkomende landen als Korea, India of Brazilië niet te ontmoedigen om in Frankrijk te komen studeren. (Studenten uit de talrijke Franstalige Afrikaanse staten zijn blijkbaar minder aantrekkelijk.) Om even haar standpunt te illustreren, zei de minister nog: “Si nous n’autorisons pas les cours en anglais, nous nous retrouverons à cinq à discuter de Proust autour d’une table.” Nee, dan liever nog wat Angelsaksische managementmeuk.

Maar goed, het verzet tegen het ‘luchthavenengels’ (merci, Serge Halimi) als langue unique is ook niet altijd even overtuigend. Vaak wordt ietwat retorisch de vraag gesteld: zouden onze studenten dan, wanneer zij ons verlaten, geen woordenboek meer hoeven? Is meertaligheid niet juist een troef, zelfs als je daar een woordenboek bij nodig hebt? Is het niet juist in de uitwisseling tussen talen, dat men er toe komt de wereld in haar diversiteit te denken?

Dat laatste lijkt mij wel, ja; alleen, het argument klinkt niet echt overtuigend uit de mond van een Fransman/vrouw. Mijn internationale onderwijs- en onderzoekservaring van de afgelopen vijfentwintig jaar leert toch dat, wanneer Franstaligen zich wagen aan een voor hen tweede taal, dat meestal een soort frenglish is, en zelfs niet een andere Latijnse taal. Anderzijds leert de jarenlange ervaring met Erasmus-projecten mij ook dat studenten van niet-Engelsprekende afkomst zich vaak kunnen vinden in een soort common session english, terwijl juist de Engelstaligen in het idioom waarin zij volledig thuis zijn over de hoofden van de anderen heen praten.

Klakkeloos toegeven aan de dominantie van een soort Amerikaans lijkt mij onzinnig; zich opsluiten in de exclusiviteit van de ‘eigen’ taal al evenzeer. Maar hoe organiseer je praktijken van meertaligheid?

 

Adjectieven

Joost Vandecasteele schrijft over zijn ‘literaire held’ Chuck Palahniuk. “Voor Palahniuk-adepten als ik is de man een mythologische figuur geworden. Met wijsheden als : enkel werkwoorden gebruiken die een actie verwoorden en adjectieven vermijden. Of nooit nieuwe personages halfweg het verhaal introduceren.”

Tja, dan zijn de wijsheden van P. toch nog niet helemaal geïnternaliseerd: ‘nieuwe personages introduceren’ is bij uitstek een constructie waarbij je het adjectief kan vermijden.

Syndicate content